Hoofdstuk 1 van "Gedragsmanagement"
 


Hoofdstuk 1

Menselijk gedrag
Gedrag is een zo alledaags verschijnsel dat we er vaak niet bij stilstaan. Maar wat is het eigenlijk, waardoor wordt het veroorzaakt en wat veroorzaakt het zelf? Hoe komt het dat gedrag voortdurend verandert? Mede hierdoor is gedrag zo complex dat we het vaak niet kunnen verklaren, voorspellen of beïnvloeden. Toch is het wenselijk over een soort handleiding of model te kunnen beschikken. Aan welke voorwaarden zou dit model moeten voldoen? En hoe zou het eruit moeten zien? De antwoorden op deze vragen leiden tot de presentatie van het Triade-model.

Mensen hebben elkaar lief, maken elkaar het leven zuur, verzorgen hun kinderen, werken aan een carrière, kijken televisie, telefoneren, liggen aan het strand, pompen een band op, tuinieren, surfen op Internet, rijden door rood, doen vrijwilligerswerk, wassen de sla, leiden een onderneming, gooien een ruit in, kopen een cadeautje, volgen een cursus, slikken medicijnen, doen zalig niets, helpen iemand uit de sloot, helpen iemand anders erin, spelen piano, brengen graffiti aan, gebruiken drugs, maken een advertentie, springen van een brug af, eten een banaan, bezoeken een tentoonstelling, gaan slapen, slopen een trein, kopen een koelkast, schrijven een brief, of lezen een boek. Of ze doen alsof. Hoe dan ook: mensen gedragen zich op de een of andere manier, onwillekeurig, bewust, of met grote overgave
Dit boek gaat over menselijk gedrag - het onderwerp dat van alle mogelijke onderwerpen misschien wel het meest van onze tijd, aandacht en energie vergt. En dan hebben we het niet alleen over ons eigen gedrag, maar ook over dat van anderen. Via hun gedrag slagen mensen erin bepaalde doelen te realiseren of hun eigen glazen in te gooien. Het gedrag van anderen kan ons leven gemakkelijker en aangenamer, of juist lastiger en onplezieriger maken. Het kan resulteren in allerlei positieve of negatieve ervaringen zoals tevredenheid en ontevredenheid, geluk en malaise, zelfs vrede en conflicten, en het kan aanleiding geven tot een hele serie emoties zoals blijdschap, verbazing, verrassing, verwarring, teleurstelling, woede en verdriet. Gedrag kan ons ontroeren, in lachen doen uitbarsten, of juist mateloos irriteren. Gedrag en de resultaten ervan vormen onmiskenbaar de belangrijkste oorzaken van de kwaliteit van ons leven. Mensen proberen daarom gedrag zo goed mogelijk te begrijpen, te voorspellen of zelfs te beïnvloeden. Soms lukt dit, (te) vaak lukt het niet. In het laatste geval zou het gemakkelijk zijn over een soort handleiding te beschikken die ons in staat zou stellen gedrag beter te begrijpen. Dit boek probeert zo'n handleiding te bieden. Het gaat ervan uit dat inzicht in gedrag ons kan helpen om toekomstig gedrag te voorspellen en zo nodig te beïnvloeden. Maar voordat een handleiding gepresenteerd wordt, is het nuttig ons af te vragen of we die wel echt nodig hebben. Laten we daarom eerst eens ingaan op de vraag of gedrag werkelijk zo lastig en complex is dat we er zonder handleiding niet goed uit komen.

Mensen vertonen gedrag in meerdere maatschappelijke en privé-rollen: als werknemer, werkgever, producent, consument, docent, leerling, coach, sporter, verhuurder, huurder, zender, ontvanger, onderzoeker, respondent, weldoener, crimineel, politicus, burger, verkeersagent, weggebruiker, programmamaker, televisiekijker, ouder, kind, dokter, patiënt, begrafenisondernemer, discoganger, predikant, prostituee, manager, therapeut en kermisexploitant. Vaak kunnen we wel ongeveer inschatten hoe mensen zich in deze rollen gedragen. Zo zal een verpleegster zich niet als hersenchirurg gedragen, een softwareprogrammeur zich niet opwerpen als stratenmaker en een loodgieter geen accountantsverklaring opstellen. Tot zover is gedrag nog tamelijk vanzelfsprekend en goed te voorspellen. Maar als we gedrag wat beter of wat meer in detail willen begrijpen, dan komen we al gauw in de problemen. Mensen blijken zich soms anders te gedragen dan we vooraf verwachtten of hoopten. Een student krijgt het advies een bepaald aantal uren aan zijn studie te besteden, maar hij doet het niet; een patiënt moet van de huisarts zijn medicijnen vóór elke maaltijd innemen, maar hij slikt ze op willekeurige momenten van de dag - of helemaal niet; een automobilist rijdt veel harder dan de toegestane maximumsnelheid; een rund stunt toch met vuurwerk; een klant besluit een ander product aan te schaffen dan de verkoper hem van harte aanbeveelt; de winkeldief wordt wéér betrapt ondanks het eerdere verzoek van de rechter er nu eindelijk eens mee op te houden. Eigenlijk kunnen we gedrag alleen correct inschatten en voorspellen als we dit in zeer algemene termen en binnen zeer ruime grenzen doen. Zodra enige precisie vereist wordt, haken we af en hebben onze verwachtingen en voorspellingen vaak iets willekeurigs. Dit geldt ook als we gedrag proberen te beïnvloeden - met de nadruk op proberen. Daarvoor hebben we verschillende technieken in huis. We trachten gedrag te sturen door het geven van beloning en straf, door het geven van juiste of onjuiste informatie, door het achterhouden van gegevens, door het invoeren, aanscherpen of versoepelen van wetten en regels, door het instellen van procedures, door fysiek en geestelijk geweld, door het dreigen ermee, door het aanbieden of wegnemen van hulp en hulpmiddelen, door het opwerpen of verlagen van allerlei letterlijke of figuurlijke drempels, en door overreding, manipulatie, propaganda of misleiding. Uit persoonlijke ervaring weten we dat al deze vormen van gedragsbeïnvloeding met de regelmaat van de klok worden toegepast. Diezelfde ervaring leert ons echter dat ze lang niet altijd succesvol zijn. Naast de evidente successen zien we voorlichtingscampagnes mislukken, interventieprogramma's falen, opvoedingstactieken hopeloos de mist ingaan en overredingspogingen het tegenovergestelde effect sorteren. In sommige gevallen moeten we hier blij om zijn, bijvoorbeeld als beïnvloeding bedoeld is om iemand onevenredig te laten profiteren ten koste van een ander. Of als propaganda suggereert dat mensen op kwaliteit kunnen worden onderscheiden. Vaak is een beïnvloedingspoging in moreel of ethisch opzicht echter helemaal niet verwerpelijk. Door gedragsverandering kunnen we namelijk allerlei positieve persoonlijke, sociale of maatschappelijke resultaten bewerkstelligen. Ongewenste gedragingen kunnen worden geblokkeerd, verminderd of afgezwakt; gewenste gedragingen kunnen we juist stimuleren. Overigens, op de vraag welk gedrag gewenst of ongewenst is, wordt hier verder niet ingegaan. Dit is geen boek over waarden, normen of andere gedragsregels. Het gaat over gedrag zoals dat feitelijk plaatsvindt, niet over gedrag zoals dat, naar algemene maatstaven, zou moeten plaatsvinden.

De complexiteit van gedrag

Voordat we ingaan op de achtergronden van gedrag is het handig ons eerst een beeld te vormen van wat we allemaal onder gedrag kunnen verstaan. Gedrag is een veelzijdig verschijnsel dat belangrijke gevolgen heeft voor onszelf en voor anderen. Het kent vele verschijningsvormen. Het meeste gedrag betreft acties of handelingen die we kunnen registreren met onze zintuigen. We kunnen zien of iemand op een knop drukt en we kunnen horen wat iemand zegt. We voelen het als iemand ons een blauw oog slaat. Een deel van het gedrag is echter niet direct waarneembaar voor anderen, maar is wel toegankelijk voor de betrokkene zelf. Een gedrag als denken of nadenken, bijvoorbeeld, vindt 'tussen de oren' plaats en onttrekt zich aan de directe waarneming door anderen. Zo zijn we in staat het ene te denken en het andere te zeggen. 'Wat leuk u weer eens te ontmoeten!' Omdat het niet-waarneembare gedrag vaak een voorbode vormt van het direct waarneembare gedrag zijn we juist ook in dat niet observeerbare gedrag van mensen geïnteresseerd: wat denken, bedoelen, ervaren, vinden en voelen ze eigenlijk? En hoe komen ze tot voorkeuren, maken ze afwegingen en nemen ze beslissingen? Tot slot zijn er gedragingen waarvan ook de persoon zelf zich niet bewust hoeft te zijn, zoals bijvoorbeeld het maken van een simpele afleiding, het vormen van een oppervlakkige mening, of het nemen van een eenvoudige beslissing. Gedragingen verschillen in hun afhankelijkheid van de wil van de desbetreffende persoon. Een deel van het gedrag komt tot stand omdat een persoon dat wil en ertoe besluit. Hiertegenover staat een ander deel dat volstrekt onafhankelijk is van de wil: het wordt puur onwillekeurig of zelfs reflexmatig bepaald. De reactie op een wespensteek, bijvoorbeeld, is een universeel gedragsverschijnsel dat eerder met de werking van het autonome zenuwstelsel te maken heeft dan met uitgebreid, zorgvuldig en daardoor tijdrovend denkwerk ten aanzien van verschillende gedragsmogelijkheden (Voel ik een steek? Ja/nee. Is dit aangenaam? Ja/nee. Wens ik de pijnprikkel te beëindigen? Ja/nee. Doe ik daar zelf wat aan? Ja/nee, etc.). De enorme, bijna oneindige variëteit aan gedragingen en de (bijna) onmogelijkheid eraan te ontkomen, maken gedrag tot een fascinerend fenomeen. Wij kunnen eigenlijk niet besluiten géén gedrag te vertonen. Wie zegt niets te doen, liegt. Gedrag verschilt van persoon tot persoon. Mensen kunnen onder dezelfde omstandigheden totaal verschillend gedrag vertonen en hetzelfde gedrag laten zien onder totaal verschillende omstandigheden. Ze doen soms precies hetzelfde om volstrekt verschillende redenen (een bepaald bedrag sparen voor een nieuw bankstel of als appeltje voor de dorst) en laten verschillend gedrag zien om exact dezelfde reden (om rijk te worden zet persoon 1 het geld op een spaarrekening, belegt persoon 2 in aandelen en gaat persoon 3 naar het casino). Bovendien is gedrag zeer veranderlijk: dezelfde persoon kan om dezelfde reden in dezelfde situatie op twee verschillende tijdstippen iets anders doen. Op het strand zien we, bij dezelfde persoon, macho gedrag in vele gedaanten en uitingsvormen. Daarbij kan deze persoon het idee hebben zich volkomen stabiel te gedragen. Tegelijkertijd kan hij bij anderen als uiterst wispelturig en onvoorspelbaar overkomen.

Intuïtie, kennis en ervaring

Gedrag wordt wel eens met het weer vergeleken - het is voortdurend in beweging, een eenmaal gevonden patroon doet zich zelden of misschien wel nooit opnieuw voor. Bovendien is de termijn waarover we nog een redelijke voorspelling kunnen doen eigenlijk uiterst kort. Als het om 12.30 uur zonnig is bij een wolkenloze hemel durven we te voorspellen dat het om 12.35 uur ook zonnig zal zijn. Zo lukt het vaak ook wel om op basis van het nu getoonde gedrag het gedrag over een paar minuten te voorspellen. Met redelijke zekerheid kan voorspeld worden dat iemand die met een rood hoofd pagina 48 zit te lezen over een minuut halverwege pagina 49 zal zijn. Zowel ten aanzien van het weer als ten aanzien van gedrag geldt dat we zo goed mogelijk willen voorspellen. Aan de hand van de weersvoorspelling wordt bijvoorbeeld de kledingkeuze bepaald en worden plannen gemaakt voor activiteiten binnens- of buitenshuis. Als we toekomstig gedrag van anderen redelijk zouden kunnen voorspellen, dan zouden we ons hierop kunnen voorbereiden en eventueel maatregelen kunnen treffen. Afhankelijk van het gedrag dat we verwachten, besluiten we dit te ondersteunen, te stimuleren, te ontwijken, te negeren, te veranderen, tegen te werken, of zelfs onmogelijk te maken. Gedragsvoorspellingen zijn minstens zo moeilijk als weersvoorspellingen. Of we moeten ons beperken tot grove algemeenheden: 'Ik voorspel dat in het komende jaar de gemiddelde temperatuur in augustus hoger zal zijn dan die in oktober'; 'Jongere mensen zijn tot grotere sportieve prestaties in staat dan oudere mensen'. Dit soort voorspellingen vinden we echter oninteressant omdat de aangegeven relaties behoren tot datgene wat we als algemene kennis en ervaring, common sense of zelfs logica zien. Als iemand in staat is een moeilijke taak uit te voeren, dan is het geen probleem te voorspellen dat hij diezelfde taak ook zou kunnen uitvoeren als deze gemakkelijker zou zijn. Wie een vierkantsvergelijking kan oplossen, kan bij de bakker ook uitrekenen wat twee broden kosten. Over het algemeen vinden we voorspellingen interessanter als er meer gedragsmogelijkheden zijn, als de kans groter is dat we een foute voorspelling doen, als het belang van een correcte voorspelling groter is, als de 'schade' van een onjuiste voorspelling omvangrijker is, als gestreefd wordt naar een grotere precisie en/of als de voorspellingstermijn langer is. Helaas is precies voorspellen op langere termijn niet alleen interessanter; het is ook veel lastiger. Als we voorspellen echt serieus willen nemen, zullen we dus een duidelijk onderscheid moeten maken tussen beredeneerd voorspellen en intuïtief 'koffiedik kijken'. Beredeneerd voorspellen is helaas niet alleen maar een kwestie van lang en diep nadenken, ook al lijken we dat soms wel te veronderstellen. Dit geldt voor het weer én voor gedrag. Als we zo goed mogelijk willen voorspellen, dan moeten we beschikken over een denksysteem of theorie waarmee we onze eigen inschattingen en gedachten kunnen structureren en richting geven. Deze theorie dient aan te geven welke de oorzaken zijn van het gedrag waarvoor we belangstelling hebben. Anders gezegd: de theorie dient de elementen te bevatten die bevorderlijk kunnen zijn (of juist remmend kunnen werken) ten aanzien van het gedragsverschijnsel waarin we zijn geïnteresseerd. Als we bijvoorbeeld de dagtemperatuur over een week willen voorspellen, dan betrekken we in het denksysteem de invloed van de richting en snelheid van de hogere en lagere, warmere en koudere lucht- en waterstromen. Als we willen voorspellen welk vakantieland Jansen volgend jaar zal bezoeken houden we rekening met zijn reeds bestaande voorkeuren, de bekendheid met de verschillende landen, de behoefte aan variatie, het beschikbare vervoer, de accommodatiemogelijkheden, het prijsniveau, de financiële randvoorwaarden, het aantal meereizende gezinsleden, het aantal beschikbare vakantiedagen, de uitgaans- en recreatiemogelijkheden ter plekke, de gemiddelde leeftijd van het toeristisch publiek en de gemiddelde temperatuur in de desbetreffende periode. En wellicht zelfs met nog een handvol aspecten meer. Dit laatste voorbeeld geeft aan dat het voorspellen van gedrag een nogal complexe aangelegenheid kan zijn. Een theorie die gebruikt moet worden om een ingewikkeld verschijnsel als gedrag te voorspellen, loopt daardoor snel de kans zelf een hopeloos ingewikkeld systeem te worden. In de dagelijkse praktijk hebben we echter helemaal geen behoefte aan ingewikkelde analyses van allerlei mogelijke oorzaken van gedrag. We besluiten dan liever 'niet moeilijk te doen' en terug te vallen op de ons zo vertrouwde intuïtieve inschattingen. Deze vermoedens vatten we ook wel eens samen onder termen als 'de natte vinger' of 'de grote duim'. Waar Nederlanders hun vingers voor gebruiken, zetten Engelstaligen hun darmen in. Zíj hebben het over hun gut feeling. Maar eerlijk is eerlijk: intuïtie kan best handig zijn en wel omdat onze intuïtie waarschijnlijk voor een belangrijk deel gebaseerd is op de ervaringen die opgedaan zijn in het verleden. Daarom is het nog niet eens zo inefficiënt om er regelmatig gebruik van te maken. Dit wordt anders wanneer intuïtie een te smalle en wankele basis vormt voor gedragsbeslissingen en we ons het risico van verkeerde gedragsbeslissingen niet kunnen permitteren. Zo willen we bij de planning van een tuinfeest niet alleen terugvallen op onze intuïtieve weersverwachtingen, of op onze kennis en ervaringen ten aanzien van het weer. We geven er in dat geval de voorkeur aan even de officiële weerberichten te raadplegen. Op dezelfde manier kan de voorspelling of verklaring van het gedrag van anderen zo belangrijk zijn, dat intuïtie gewoon niet toereikend is. In dat geval is het noodzakelijk te kunnen beschikken over een denksysteem. Met behulp hiervan kunnen we beslissingen nemen over te verwachten toekomstig gedrag en over eventuele maatregelen. Over zo'n denksysteem gaat dit boek.

Naar een handleiding

In de speurtocht naar een denksysteem gaan we ervan uit dat gedrag belangrijk kan zijn, dat gedrag in principe uitermate complex is, dat we gedrag soms moeten kunnen voorspellen of beïnvloeden, dat intuïtie best handig, maar in feite onbetrouwbaar is en dat we dus eigenlijk een handleiding nodig hebben. Daarbij is het niet de bedoeling te komen tot een willekeurig samenraapsel van vrijblijvende suggesties (à la 'de tien gouden regels tot succes'), maar een theoretisch fundament te bieden dat bestaat uit een zo consistent mogelijk geheel van onderling samenhangende argumenten. Hiermee wordt geprobeerd het probleem te voorkómen dat de meeste handleidingen kenmerkt: ze zeggen wel wat je wel of juist niet moet doen, maar niet waarom. En juist dit laatste is essentieel om een handleiding adequaat te kunnen hanteren. Hiermee stuiten we op een dilemma. Enerzijds willen we over een theoretisch verantwoord systeem beschikken; anderzijds staat of valt het gebruik ervan met de praktische hanteerbaarheid. Hoewel deze twee uitgangspunten met elkaar op gespannen voet kunnen staan, zullen we proberen een verantwoorde balans te vinden.
Handleidingen zijn gewoonlijk beschikbaar voor zaken die we interessant, belangwekkend, maar ook ingewikkeld vinden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de personal computer, de mobiele telefoon, de auto, de videorecorder en de cirkelzaag. Gedrag is vele malen ingewikkelder dan deze apparaten. De vraag is dan hoe een handleiding voor gedrag eruit zou moeten zien. Het is namelijk onmogelijk een enkele handleiding samen te stellen voor het totale menselijke gedragsrepertoire. In het algemeen geldt dat de handleiding dikker is naarmate het object complexer is. Bij gedrag zou de handleiding eigenlijk de omvang van een encyclopedie of misschien wel een halve bibliotheek moeten hebben - zij zou zichzelf daardoor onmogelijk maken. Daarom kan ook gepleit worden voor de opvatting dat de handleiding bij uiterst ingewikkelde zaken juist betrekkelijk eenvoudig moet zijn om deze hanteerbaar te houden. Dit boek sluit bij deze opvatting aan en probeert dus iets te doen wat eigenlijk niet kan. Wat bepaalt nu of iemand een bepaald gedrag gaat vertonen? Of, met andere woorden, welke zijn de oorzaken (we zullen in het vervolg ook de woorden 'determinanten' en 'factoren' gebruiken) die invloed uitoefenen op gedrag? Een volledig en universeel geldend antwoord op deze vragen is in principe onmogelijk. De gedragingen die mensen kunnen vertonen zijn ontelbaar en hetzelfde geldt voor het aantal factoren per type gedrag. Als we dus een overzicht zouden willen hebben van alle mogelijke oorzaken van alle mogelijke gedragingen, moeten we dus een oneindig getal vermenigvuldigen met een oneindig getal. Het lijkt verstandig hier niet aan te beginnen. Maar wat is het alternatief? Laten we, om te beginnen, eens te rade gaan bij andere complexe systemen waar het ook nodig is het onoverzichtelijke geheel terug te brengen naar een beperkt aantal kernaspecten. We kunnen hiertoe links en rechts enkele, onderling zeer verschillende, voorbeelden aanhalen.

Schilder Jansen neemt zijn vak zeer serieus. Van elke kleur verf die verkrijgbaar is heeft hij een bus in de zaak. Zo zal hij klanten, zelfs die met de meest exotische kleurwensen, altijd direct op hun wensen kunnen bedienen. Jansen gaat echter aan zijn klantgerichtheid ten onder. Het aantal kleuren is niet bij te benen en de financierings- en voorraadkosten rijzen de pan uit. Jansen gaat kleurloos ten onder: failliet. Zijn concurrent pakt het anders aan. In zijn werkplaats staan drie grote verfcontainers met de basiskleuren rood, geel en blauw. De drie kleuren worden gemengd in een verhouding die afhankelijk is van de kleur die een klant toevallig wenst. Hiermee weet hij alle mogelijke kleuren te maken. Hij heeft de klanten van Jansen inmiddels overgenomen.

Na honderden jaren eindeloos en vruchteloos geëxperimenteer met een oneindig aantal materialen in een oneindig aantal omstandigheden werd op een maandag, ergens in de prehistorie, het vuur uitgevonden. Iemand bedacht namelijk dat vuur eigenlijk maar drie cruciale elementen nodig heeft: brandstof, zuurstof (lucht) en hitte, en wel op dezelfde plaats en hetzelfde tijdstip. Toen deze redenering na enkele proefnemingen bleek te kloppen en men nu ook begreep waarom nat hout niet brandt, verspreidde het nieuws zich als een lopend vuurtje. Vervolgens ontstond tussen verschillende dorpen een heftige competitie over wie de aller-, allergrootste stapel brandhout kon maken. Opnieuw was er de nodige verwarring, want hoe bepaal je nu wat de grootste stapel is. De verschillende dorpen gebruikten hiervoor verschillende aanduidingen. Ze hadden het over de grootste, zwaarste, hoogste, breedste, indrukwekkendste, meest kolossale, dikste, diepste, omvangrijkste, of langste stapel. Hoewel elk van deze adjectieven ermee te maken leek te hebben, dekte geen ervan de gehele lading (brandhout). De discussie leek onoplosbaar, tot iemand op het idee kwam grootte te definiëren als combinatie van lengte én hoogte én breedte. Niet meer, maar ook niet minder. In concreto werd voorgesteld deze aspecten te vermenigvuldigen en het product 'inhoud' of 'volume' te noemen. Het laatste voorbeeld ligt op een geheel ander vlak. Bedrijven, instellingen en organisaties dienen zich bij voortduring af te vragen wat hun overlevingskansen zijn op langere termijn. Hiertoe baseren zij zich op strategische analyses die vaak tot de formulering van enkele strategische opties leiden. Hieruit dient dan te worden gekozen. Om deze alternatieven met elkaar te vergelijken en tot de keuze van een enkele strategie te komen, is het van belang met een heel groot aantal aspecten rekening te houden. Omdat ook strategen hier niet uitkomen, hanteren ze een vereenvoudigd systeem waarin de afzonderlijke opties op slechts drie samenvattende hoofdkenmerken met elkaar worden vergeleken: geschiktheid, haalbaarheid en acceptatie. Met andere woorden: in hoeverre is de strategie de aangewezen weg naar het vastgestelde doel, is de strategie realiseerbaar met de huidige organisatie en zullen relevante doelgroepen (intern en extern) instemmen met de aangegeven koers? Als aan een of twee van de drie voorwaarden niet wordt voldaan is de strategie gedoemd te mislukken.

In elk van deze voorbeelden wordt een zeer complex en ogenschijnlijk onhanteerbaar systeem teruggebracht tot een overzichtelijk en praktisch geheel van slechts enkele hoofdkenmerken, met dien verstande dat niet één van deze kenmerken straffeloos genegeerd mag worden. Deze kenmerken maken het systeem op zich natuurlijk niet eenvoudiger; ze stellen ons alleen in staat het te overzien en te begrijpen. Hierdoor is het ook mogelijk om het systematisch en beredeneerd te beïnvloeden zonder te vervallen in willekeurig geëxperimenteer. Hoewel de voorbeelden mogelijkheden tot vereenvoudiging presenteren zijn ze toch nog te algemeen. Ze hebben namelijk niets met gedrag te maken. Toch is er ook een domein aan te wijzen waarin met een vereenvoudigd gedragssysteem wordt gewerkt.

Johnny, 35 jaar, 112 kilogram, op de voetzolen na bedekt met tatoeages, zonder vaste woon- of verblijfplaats en met een royaal bemeten strafblad, heeft een uitgesproken hekel aan tante Agaath, 85 jaar, fragiel, steenrijk en krenterig. In de vroege ochtend van nieuwjaarsdag wordt tante Agaath dood naast haar lege portemonnee op de keukenvloer gevonden: gewurgd. Niemand heeft haar meer gezien nadat Johnny haar op oudejaarsavond een bezoek bracht. Hij is daarop als verdachte aangehouden en staat nu, in driedelig maatpak en met een nieuwe goudkleurige halsketting, voor de rechter. Deze heeft eigenlijk een hopeloze taak: hij moet een inschatting maken over niet meer waarneembaar gedrag, hij kan zich om maatschappelijke en ethische redenen geen fouten veroorloven, Johnny houdt zijn mond stijf dicht en de enige getuige is niet meer.

Er zijn veel aspecten waar de rechter rekening mee te houden heeft, te veel om in één beslissing te kunnen overzien. Toch moet, hoe dan ook, een besluit worden genomen in een poging het recht te laten zegevieren. Gelukkig beschikt de rechter over een algemeen geaccepteerd systeem dat hij kan hanteren om tot een waarheidsgetrouw oordeel over het gedrag van Johnny te komen. Hij moet proberen op drie vragen het antwoord te vinden en deze antwoorden met bewijzen kunnen staven. Had Johnny een motief, was hij persoonlijk in staat tot de moord - al of niet met gebruikmaking van hulpmiddelen - en was hij op de plaats van de moord (of had hij een alibi)? De rechter - in het buitenland soms de jury - zal iemand als schuldig aanwijzen als elk van de drie antwoorden onmiskenbaar in de richting van de verdachte wijst. Het opvallende van dit systeem is dat het betrekkelijk eenvoudig is, hoewel de achterliggende gedragsproblematiek uitermate complex is.

Terug naar informatie over het boek "Gedragsmanagement"

Volgende pagina: Gedragsmanagement (begin)